Beeldverslag van onze sesshin in Rosario

28 mensen kwamen uit alle hoeken van België  naar Halle om samen met Sengyo en de dojo van Halle een meditatieweekend door te brengen. De zon was niet van de partij maar ze straalde des te meer in de ogen van iederéén. In de schitterende omgeving Rosario in het Pajottenland volgden de zazens elkaar op. Het leven wordt terug  eenvoudig : eten in stilte, aandacht voor elkaar, volledig aanwezig zijn in alles wat we doen.  Enkel het huidige moment. Een beeldverslag met foto’s van Cathy Vanleene!

 


Bestaan in één slok warme thee

Rohatsu betekent de achtste van de twaalfde maand. Op deze dag wordt in alle zenboeddhistische kloosters wereldwijd het ontwaken van Boeddha herdacht.

De wereld in de tijd van Boeddha was niet anders dan de wereld nu. Ook toen sloeg de waanzin toe en was er verwarring in de hoofden van de mensen. Boeddha verliet zijn familie, paleis, rijkdom en alle affectie die hem omringde om de oorzaak van het existentialistisch lijden van de mens te ontdekken. Hij zat zes jaren onder de bodhiboom met de vastberadenheid niet op te staan vooraleer hij de oplossing ontdekte voor het lijden van de mens. Volgens de legende weefden spinnen hun web in zijn wenkbrauwen en maakten de vogels  hun nest op zijn hoofd. De invloed van zijn lange en stille zitmeditatie is vandaag 2506 jaar later nog altijd tastbaar.

Een rohatsu-sesshin duurt traditioneel een week.

De eerste dag van mijn sabbatjaar

Op weg naar Kanshoji op de eerste dag van mijn sabbatjaar om er zes dagen te gaan zitten. Gisteren nog voor mijn PC om de laatste restjes door te geven aan mijn vervanger, vandaag reis ik in het gezelschap van twee monniken richting zuiden. Na de storm van gisteren schittert de zon aan de hemel. Mijn sabbatiek jaar begint onder een goed gesternte.

De volgende dag worden we gewekt om 4.30. Een jonge beoefenaar rent door de gebouwen en zwaait met een ouderwetse metalen bel. Het is enige persoon in een klooster die zich al lopend verplaatst. De mensen vertonen hier een natuurlijke elegantie wanneer ze zich van de ene plaats naar de andere begeven. De boeddhistische beoefening gaat direct door je lijf.

Ik ben blij dat ik zelf nooit heb moeten doen, die wekdienst. Ik ben niet echt wat men een ochtendmens noemt. Het al lopend aanhoren van x aantal decibels om 4uur 30 lijkt me een nachtmerrie. Maar we zijn in een klooster en dat zet je wereld soms op zijn kop: wat je niet kan of dacht niet te kunnen, kun je dan plots wel.

We krijgen 10 minuten om ons te wassen, om te kleden en in de dojo te zijn. Je springt best direct uit je bed bij het horen van de eerste schrale tonen van de bel die langzaam dichterbij komt. En het lukt, het brengt je onmiddellijk in het hier en nu, geen seconde twijfel of tijd om aan je uiterlijk te prutsen. Het doet er niet toe: het is toch donker en we zitten naar de muur gekeerd.

Je stapt door de stilte en de geheimzinnigheid van de nacht over de houten gaanderijen naar je plaats in de dojo. Krak – krak – krak – ik hoor enkel het geschuifel van mijn voeten. Het is één van mijn geliefkoosde momenten. Waarom? Misschien geeft de stilte van de nacht me een vredig gevoel. Of is er iets anders? Er moet wel iets zijn, in alle spirituele tradities staat de wekker altijd en overal op zeer vroeg.

Ik doe mijn best om niet als laatste toe te komen in de meditatieruimte. Het is me al een paar keer overkomen en het geeft me het gevoel van te laat te zijn.

Je hele bestaan in één slok warme thee

Een heerlijk moment volgt dan na de eerste zazens. We gaan in het donker van de nacht in processie en in stilte naar de eetzaal waar we allemaal samen een soort aftreksel van zeewier en zoute Japanse pruim drinken. Je voelt de vloeistof zo door je lichaam vloeien en het doet heel veel deugd. Het is een zo intens moment omdat het samen, in stilte en in volledige concentratie gebeurd. Puur genieten van het één zijn. Alles bestaat op dat moment in één slok warme thee. Van de eetzaal gaat het dan weer naar de meditatieruimte, dag in dag uit, naar de volgende zazen of naar de eetzaal en terug.

De tijdsindeling van een rohatsu is heel strikt en je hebt geen vrije tijd. Op die manier blijf je volledig geconcentreerd op je taken. De periodes zazen worden afgewisseld met samu (handenarbeid). Je hoeft je dus op geen enkel moment druk te maken of na te denken over wat je al dan niet gaat doen. Gewoon de stroom volgen en het maakt heel wat energie vrij.

Wat maakt deze sesshin zo speciaal?

Deze sesshin is anders dan de andere omdat er meer stilte is en er veel meer gemediteerd wordt. Ik had nog nooit  zes dagen lang zoveel uren per dag in zazen met gekruiste benen op de grond gezeten. En het doet iets met een mens. Je kan stil blijven zitten dank zij de energie van de anderen die samen met jou hetzelfde doen. Het brengt stilte in je geest en meer dan dat. Het is als “muziek zonder tonen gespeeld op de fluit zonder gaten”. ( cit gedicht Michel Bovay)

En wat nu?

Een rohatsu en jaren oefening helpen je een beetje vooruit en laten je proeven van de grote stilte. De kunst is deze stilte van de geest verder te zetten in het dagelijks leven en hier en nu aanwezig te zijn in elke seconde van ons bestaan. Dan wordt elke dag, elke plaats, elke minuut als “bestaan in één slok warme thee”.

[button color=blue ]Meer info op www.annemiesabatiek.be[/button]

De stilte delen

Blog van Konrad Maquestieau – Konrad is verantwoordelijke van de zendojo in Halle. Sinds 1991 volgt hij het onderricht van Zen-Meester Roland Yuno Rech in de de Japanse Sôtô Zen traditie. In 1995 kreeg hij van hem de “unsui”-wijding – monnikswijding. In 2007 is hij formeel geregistreerd bij de Sotoshu Shumucho (Administrative Headquarters of Soto Zen Buddhism – Tokyo, Japan) als leerling van Yuno Rech.

Mensen vragen mij soms wat mijn bezig-zijn met Zenboeddhisme mij bijgebracht heeft.

konrad

In het begin van mijn beoefening antwoordde ik met zekerheid: rust en kalmte. De verschijnselen beter relativeren, zeker diegenen die als obstakels worden aanzien. Evenwicht. Een vorm van gelijkmoedigheid zo je het wilt. Hierop kreeg ik veelal instemmend geknik.

Wat later antwoordde ik voorzichtiger: je kunt de verschijnselen en de mensen beter zien, zoals ze zijn en niet zoals ik graag zou willen dat ze zijn. De perceptie op de anderen verandert: en hiermee je relatie tot de anderen. Onze openheid naar de anderen wordt groter en je kunt je eigen ego in een juister perspectief plaatsen. Hierop kreeg ik wat vriendelijk gefrons met de wenkbrauwen, maar ik voelde dat het antwoord wellicht al een brug te ver was.

De laatste tijden weet ik niet altijd goed wat ik op die vraag moet antwoorden en blijf ik letterlijk sprakeloos. Tot verbazing dan van mijn toehoorders.

Valse vraag

Al is de vraag duidelijk vanuit een welgemeend interesse gesteld, ze moet vanuit Boeddhistisch standpunt ronduit als vals worden bestempeld! Eigenlijk moet je de vraag omkeren: “Wat ben je verloren door de beoefening van het Zenboeddhisme? Welke illusies ben je nu armer? Wat heb je achter je kunnen laten?”

Het armer worden: daarover gaat het!  Mensen denken – ook in spirituele termen – te vaak in termen van winst, van opbrengst van rijkdom. Wat krijg ik als ik zazen begin te beoefenen?  Mocht ik het Boeddhisme omarmen, zou ik dan innerlijk en spiritueel een rijker mens zijn, volwaardiger?

Eigenlijk kun je de mensen dit moeilijk verwijten: een groot deel van onze opvoeding, van de manier waarop wij de maatschappij georganiseerd hebben, is precies hierop afgestemd. Welk waar krijg je voor je geld, voor je inspanning? Geven en nemen. Vraag en aanbod.

Alles wat ons bezielt…

In het Zenboeddhisme, de leer van Boeddha, gaat het niet om iets “te bekomen”. Hier is een eenvoudige en zeer logische reden voor. Zodra je het voorwerp van je verlangen “bekomt” (bv. “rust” of “innerlijk evenwicht” of “inzicht”) meldt er zich onmiddellijk een nieuw voorwerp aan; en dat, precies omdat het verlangen zelfblijft bestaan.

Ik heb vaak kunnen vaststellen hoe mensen naast een materieel honger ook lijden aan religieuze honger, spirituele materialisme: een verlangen naar meer, naar beter, naar waarden, naar verlichting, naar hogere sferen, naar spirituele erkenning, naar karmische verdiensten enz… De lijst, zoals te verwachten, is ook hier eindeloos. Dat we heftig naar  materieelgeestelijk welbehagen en geluk streven of naar welbehagen: de principes aan de basis blijven dezelfde.

Dit komt omdat men er niet in slaagt zijn eigen verlangen onder de loep te nemen, het principe hiervan in te zien en dat verlangen aan te pakken. Zolang je dorst lijdt kun je jezelf niet bevrijden.

Betekent dat dan dat een Boeddhist het verlangen (spiritueel of materieel) moet uitschakelen? hoor ik mensen nu ietwat verbaasd en ongerust mompelen.

Boeddha is glashelder hieromtrent:

“Alles wat ons bezielt is leedvol”,
als men dat met inzicht ziet, dan
keert men zich af van het lijden.
Dat is de weg tot zuiverheid.

Dhammapada, vers 278

Bezielen is hier: alle uitwendige dingen die ons inspireren: huis, loopbaan, rijkdom – en alles wat ons innerlijk motiveert: verlangens, begeertes, gedachten.

Maar die boodschap is vandaag onverkoopbaar! hoor ik dan als protest luid roepen.

Inderdaad. En toch moet ik ze hier nog eens noteren! Toch is dàt een onderdeel van de beoefening die Boeddha ons meegaf.

Verlangeloos

Nogmaals: moet een mens verlangeloos door het leven gaan om gelukkig te zijn? Vast staat dat het omgekeerde zeker waar is: zolang men zich blindelings aan zijn verlangens onderwerpt, vindt men nooit rust. En dat is bron van lijden.

Maar is dat een afdoende en logische reden om het verlangen zelf als een soort onkruid met wortel en al uit de roeien?

Ik moet eerlijk toegeven: ik verblijf nog bijlange niet in een totale verlangeloze toestand. Ook ik probeer zo goed en zo kwaad mogelijk mijn huis op te bouwen, in te richten en te onderhouden, mijn carrière uit te stippelen en spaarcenten opzij te zetten. En af en toe op vakantie gaan. Ook ik word gegrepen door gedachten die mij soms obsederen (hersenspinsels), door oeverloze begeertes (van alle soorten 😉 ) en door irritatie, frustratie en woede als ik ze niet kan bereiken…

Ik moet ook wel hieraan toevoegen dat ik meerdere keren – voornamelijk tijdens zazensessies en intensieve stages – gevoeld heb dat je ook een zeer gelukkig leven kunt leiden met zeer weinig verlangens; en je zelfs momenten (die relatief langdurig kunnen zijn) zonder dat je gestoord wordt door je dagelijkse gehechtheden: ze lijken plots opgelost te zijn.

Maar spijtig genoeg blijven die toestanden in een meer dagdagelijkse sleur niet altijd duren…

Ben ik dan maar een halve Boeddhist omdat ik aan de wetmatigheid van de “bezieling” nog niet helemaal onderuit ben gekomen?

Van mijn leraar heb ik geleerd dat je veel geduld moet hebben. Veel. Oneindig veel! En niet alleen geduld, maar ook een vorm van mededogen jegens jezelf koesteren. Niet om zichzelf graag te zien maar om geduld op te brengen ook al faal je in je vooropgesteld doel hier hebben we het weer.

Waar het omgaat is, zegt mijn leraar, is onderweg te zijn.

De beoefening is niet – nogmaals – iets te bekomen; al zou dat de Boeddhastaat zelf zijn! Maar onderweg te zijn, er aan te werken, elke dag een nieuwe stap te zetten met de kennis en het bewustzijn dat het ideaal wellicht niet helemaal te omarmen is. Dat durven toegeven en toch ernaar toe werken.

De Openheid van de weg

Door zo te handelen herleid je je ideaal ook niet tot een voorwerp van verlangen – beperkt per definitie –  en blijft het iets “open”. Het is zichzelf zien zoals je bent; met al je onvolkomenheden, alle karmische restjes die je nog “bezielen”, ontroeren en nog steeds bron zijn van lijden. Het is vooral zien dat er geen doelstellingen na te jagen zijn, geen terminus te bereiken is. De beoefening is zoals een weg: Open en oneindig. Het hele leven zelf is trouwens die Openheid en omvat dus ook het onafgewerkte, het onvolkomen en dus ook de fouten, de gebreken, de mislukkingen… én tegelijkertijd de gelofte die we steeds maken om er het beste van te maken.

Het gaat er dus niet om totaal zonder verlangens te leven (zoals sommige hindoeïstische asceten doen door hun lichamen zoveel mogelijk te onderwerpen aan allerlei “kwellingen” zodat hun geest bevrijd zou worden): maar te midden van de storm van verlangens de rust te beschermen.

De geest die gehecht is aan de dagelijkse sleur van zijn verlangens is dezelfde geest van waaruit bevrijding kan spreken. Die grote contradictie werkelijk inzien, is de deur tot inzicht.

Bewegingsloos zitten

Om op de initiële vraag terug te keren zonder mijn toehoorders helemaal hopeloos te maken, zou ik het liefst van al nu, gewoon in zazen zitten; met gekruiste benen, op een zafu, voor de muur. Stilte maken en die stilte delen. Zich concentreren op de rechte houding en de zachte beweging van de ademhaling.

Terugkeren naar dat wat fysisch/psychisch werkelijk is: een lichaam/geest dat bewegingsloos kan zitten. In stilte en dus zonder woorden hiervoor te moeten gebruiken.