Ontmoetingen met opmerkelijke mensen

Zuise, een formaliteit?

In de zomer 2015, na de Dharma-overdracht in de Gendronnière raadde mijn leraar, Roland Yuno Rech, mij aan om de Zuise-ceremonie in Japan te gaan uitvoeren. “Het is niet verplicht,” zei hij mij nog, “maar het zou goed zijn dat je die zou doen.” Uiteindelijk besloten Pascal-Olivier Kyosei Reynaud en ikzelf om Zuise samen te gaan doen.

Toen we eind maart 2016 met een kleine groep enthousiastelingen uit onze sangha naar Japan vertrokken dacht ik dat de Zuise eerder een formaliteit zou zijn. Het enige wat ik begreep was dat we in de twee hoofdtempels van de Sōtō-school, Soji-ji in Yokohama (nabij Tokyo) en Eihei-ji diep in de bergen in de Fukui-prefectuur, een korte ceremonie zouden gaan uitvoeren om de twee patriarchen en stichters van de Sōtō-school, Dogen Zenji en Keizan Zenji, te eren. Meer wist ik niet.

Het bleek uiteindelijk een fundamentele en op sommige momenten zelfs emotionele ervaring te worden.

Dankbaarheid

In grote lijnen bestond de ceremonie op beide plaatsen erin als doshi (diegene die een ceremonie leidt) een ritueel uit te voeren die zowel onze dankbaarheid moest uitdrukken ten aanzien van de patriarchen alsook een opneming in de sangha van de leraren. Die ceremonie was relatief eenvoudig: voor de gelegenheid werden er slechts twee soetra’s gezongen: de Hannya Shingyo in de Boeddha hall en de Daïshi Darani in de hall van de patriarchen, de Daisodo (het zijn twee verschillende ruimtes). Eigenlijk verschilden die ceremonies niet zo veel van wat we hier doen tijdens onze sesshins. Alleen zijn er andere ogenblikken om sanpai te doen, de zagu op te plooien of terug te plaatsen, linksom of rechtsom weg te draaien van het altaar, enz. Een héél groot verschil met onze manier van doen was dat beide soetra’s voor deze gelegenheid héél traag gereciteerd werden, wat mij onrustig maakte omdat ik de draad in de soetra verschillende keren kwijt was maar toch goed in de gaten moest houden wanneer ik terug naar het altaar moest gaan om er wierook te offeren. Stress!

De ceremonies werden vooraf gegaan door een groet die men brengt in de Kaisando, de plaats waar de stichter van de respectievelijke tempels en alle andere personages die in het verleden (zowel monniken als leken) een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het tempelleven. Ze worden er vereerd met de typische dodentabletten waarop hun namen gecalligrafeerd zijn. Dit oude ritueel is eigenlijk in héél het verre Oosten terug te vinden en heeft zijn wortels diep in het confucianistisch gedachtengoed. In elke familie in China of Japan is er een huisaltaar waar de voorouders met zulke tabletten en foto’s vereerd worden en waar zeer regelmatig ceremonies worden uitgevoerd onder leiding van zenmonniken. Zo gebeurt het dus ook in de zentempels ten aanzien van de stichter(s), de abten en monniken die daar geleefd en beoefend hebben.

Vreemde ontmoeting

In de Kaisando doet men negen paï met de zagu helemaal open in de richtingen van de tabletten. Hiermee druk je niet alleen je respect uit ten aanzien van die personen, maar gebeurt er op die wijze een soort ontmoeting met hen. Dat dit je werkelijk kan raken heb ik mogen ervaren in Eihei-ji op de plaats waar de assen van Meester Dogen bewaard worden: het opstijgen van de trappen (krabsgewijs), de halfduistere ruimte (er is haast niets te zien), de wierook, het buigen … Van nature uit ben ik niet zo geneigd te geloven in immateriële geesten van overledenen die ons zouden bezoeken, maar dat eenvoudige ritueel bracht me wel in relatie met de historische figuren van Dogen, van Keizan en de vele andere onbekenden. Plotseling waren deze mensen die ik bewonder en bestudeer zeer tastbaar maar onzichtbaar aanwezig. Heden en verleden zijn niet zo van elkaar gescheiden. We delen in dezelfde beoefening. Achteraf gezien bleek dat voor mij een van de sterkste momenten van de Zuise te zijn.

Respect en zorgzaamheid

Een tweede aspect dat mij compleet heeft verrast is het groot respect dat de verantwoordelijke monniken in beide tempels ten aanzien van onze groep betoonden. Niet alleen bij de aankomst in de tempel en de inschrijving. Overal werden we met het grootste ontzag begeleid opdat we in het doolfhof van gangen onze weg niet zouden verliezen. We waren ook van meet af aan onderdeel van die grote tempels. Meer nog: Pascal-Olivier en ikzelf werden aanzien als zeer voorname gasten die de allerbeste zorgen verdienden … Een vreemd gevoel. Achteraf begrepen we dat traditioneel, monniken die Zuise doen, eigenlijk voor één dag als tempelhoofd aanzien worden … En een nog vreemder gevoel bekroop ons toen!

Die zorgzaamheid ten aanzien van ons ging ook door tijdens de ceremonies zelf. We hebben veel verplaatsingen gedaan tussen de verschillende gebouwen maar overal waar we kwamen, stond er een oudere roshi ons op te wachten, verwelkomde en begeleidde ons naar de volgende plaats van het gebeuren. Soms speelden ze de rol van souffleur als we even de draad kwijt waren en niet goed meer wisten wat we moesten doen. Het doet iets met je als je ziet hoe een voltallige ryoban van zes oudere, in gele kesa getooide monniken je keurig komen ophalen om je naar de plaats van de ceremonie te brengen … Zuise is dus niet alleen een groet, een wenk naar het verleden maar ook een verwelkoming in het nu door de ouderen en meer ervaren roshi’s en meesters. Enerzijds druk je je dankbaarheid uit voor wat is geweest en anderzijds word je verder opgenomen in de grote familie van de sangha. De twee gaan hand in hand: het zijn ontmoetingen met opmerkelijke mensen.

Werkelijkheid of droom?

Toen we terug van onze berg neerdaalden (voor Eihei-ji is dat letterlijk te nemen) begonnen we pas te beseffen wat er gebeurd was. Maar het omgekeerde is ook waar: meer en meer leken de gebeurtenissen van Zuise één grote droom te zijn geweest. Hebben we dat werkelijk beleefd? Nu nog kunnen we de volledige reikwijdte van die evenementen nog steeds niet goed inschatten. Dat er iets gebeurd was, is duidelijk. Wat precies zullen we wellicht nooit goed weten.

Daags nadien waren Pascal-Olivier, onze gasten en ikzelf in Toshoji waar we drie dagen verbleven. Daar waren we terug samu aan het doen: met handen en voeten onkruid uit de tempeltuin aan het trekken. Het doodgewone leven ging door. De beoefening is dezelfde. Dezelfde handelingen komen terug. We zijn terug thuis!

Niet enkel tekst maar ook beelden vertellen een verhaal. Bekijk hier de foto’s