Waarom buigen we?

Eén van de eerste dingen die een nieuwe bezoeker aan ons centrum opvalt zijn de vele buigingen die we uitvoeren – een gebaar dat wij gassho noemen: al dan niet met de handpalmen tegen elkaar gedrukt, hellen we met heel het bovenlichaam voorover. Velen ervaren dit gebaar als bevreemdend en niet tot onze cultuur behorend. Lees verder Waarom buigen we?

Ontmoetingen met opmerkelijke mensen

Zuise, een formaliteit?

In de zomer 2015, na de Dharma-overdracht in de Gendronnière raadde mijn leraar, Roland Yuno Rech, mij aan om de Zuise-ceremonie in Japan te gaan uitvoeren. “Het is niet verplicht,” zei hij mij nog, “maar het zou goed zijn dat je die zou doen.” Uiteindelijk besloten Pascal-Olivier Kyosei Reynaud en ikzelf om Zuise samen te gaan doen. Lees verder Ontmoetingen met opmerkelijke mensen

Leven in een Japans zenklooster

Van de drukte naar de rust…

Het klinkt als een huizenhoog cliché maar toch moet ik het hier gebruiken: het eerste wat mij opvalt na honderd dagen verblijf in een Japanse zenklooster is de allomtegenwoordige drukte die hier overal heerst. Niet alleen de drukte in het verkeer (niet alleen op de baan maar ook in het openbaar vervoer en zelfs op de fiets…); maar ook de drukte in de straten, de winkels, de cafés, de ontmoetingsplaatsen, de drukte op de werkvloer… Zelfs in wachtrijen en andere wachtkamers zijn mensen druk in de weer: met hun mobieltje én met hun geduld op een pijnlijke manier op de proef te stellen. Die nerveuze drukte houdt iedereen ogenschijnlijk in de greep.

Tussen oktober 2014 en januari 2015 heb ik voor een tweede keer kunnen deelnemen aan de traditionele ango in Toshoji (Okayama prefectuur). Ango betekent: in rust verblijven. Die traditie gaat terug tot Shakyamuni Boeddha die jaarlijks tijdens het regenseizoen in de zomer een periode van rust invoerde: hij trok zich met zijn leerlingen terug op een afgelegen plaats om er intensief te mediteren en zijn onderricht te geven. In de Japanse vormingstempels worden er elk jaar twee angoperiodes georganiseerd. Sinds kort kunnen ook Westerse monniken in een aantal van die tempels hieraan deelnemen.

Het motief

Waarom zou iemand aan een ango deelnemen in Japan ?”, schreef ik in mijn dagboek op 27 oktober 2014. Waarom die oude en traditionele vormen leren en beoefenen? Staan ze niet haaks op onze moderne, Westerse, rationele wereld ? Wat hebben wij met Japanners en hun culturele gewoontes gemeen ? Wat heeft een Westerse zenbeoefenaar gemeen met de job van een Japanse zenpriester ? Wat kun je van hen leren als je eenmaal ter plaatse vrij snel vaststelt dat de communicatie omwille van een gigantische taalbarrière tot het strikte minimum is gereduceerd ?

Het is inderdaad niet nodig om naar Japan af te reizen om de ware zen te beoefenen. In Europa, in onze dojo’s wordt de juiste overdracht van de Boeddha-Dharma onderwezen. Meester Deshimaru en zijn naaste leerlingen zijn er in geslaagd om de essentie van zen in het Westen over te brengen: zazen, de kesa, de kommen, het onderricht… niets ontbreekt aan wat we hier beoefenen.

En toch noteer ik vol zelfvertrouwen in mijn dagboek: “Om een ander perspectief op de wereld en op mezelf te krijgen!”

Ik werd rijkelijk voorzien. Meer zelfs dan me lief was.

Wat is rust eigenlijk?

Met zo’n twintig waren we om te participeren aan de winterango in Toshoji: een achtiental japanners en zes westerlingen (drie Fransen, een Zwitser, een Duitser en een Belg). De voertaal was Japans maar enkele monniken konden een mondje Engels spreken juist voldoende om ons wegwijs te maken. Toshoji werd voor negentig dagen een afgezonderde plek, van de wereld afgesneden: geen internet, geen persoonlijke telefoongesprekken, geen tv, geen kranten. Enkel postbrieven werden toegelaten.

Die terugtrekking is essentieel. Tegelijkertijd opent die teruggetrokkenheid een perspectief op de wereld en op het leven dat ik nooit had kunnen vermoeden. Ik moest die fysieke scheiding aan den lijve ondervinden , die breuk met mijn dagelijkse activiteiten hier in Europa, om mijn blik (op de wereld) te verruimen.

Rust is een relatieve term in een zentempel. Eigenlijk gonst het in een tempel van de activiteiten. Tussen 4uur ’s morgens en 21uur ’s avonds zijn er hooguit drie luttele uren die besteed kunnen worden aan persoonlijke rust. Maar de drukte van een tempel is niet te vergelijken met de drukte die we hier kennen.

Dagindeling

We staan om 4uur op. Na een snelle kattenwas bevinden we ons twintig minuten daarna in de sodo voor de ochtendzazen die tot 6uur duurt. Dan begeven we ons naar de hatto, de ruimte waar alle ceremonies uitgevoerd worden. Naargelang het aantal soetra’s die we reciteren duurt die ceremonie tussen twintig en vijftig minuten. Tijdens de winterango krijgt in Toshoji de Diamantsoetra een voorname plek. De soetra is zo lang dat we die over drie dagen gespreid reciteren. Daarnaast is er natuurlijk de Hannya Shingyo die we hier in het Westen in onze dojo’s goed kennen, de Daishin Darani, de Sandokai, de Hokyozanmai, de patriarchenlijst, de Kannon Gyo en een voor mij tot dan onbekende deel uit de Lotussoetra, de Juryôhon ge (hoofdstuk XVI, “De levensspanne van de Aldus Gekomene”). De eerste dagen bezorgt de seiza-houding (op de hielen zitten) mij hevige pijnen in de knieën en in de spieren. Na verloop van tijd went het lichaam aan die houding en na drie weken kan ik de hele ceremonie uitzitten zonder veel te bewegen.

Na de ceremonie is er het ontbijt dat uit witte rijst, groenten, gepekelde radijs (daikon genaamd) en een paar gezouten pruimen bestaat (umeboshi – uiterst voedzaam). Een maaltijd nuttigen is eveneens een beoefening in behendigheid: we gebruiken verschillende kommetjes, een lepel en chopsticks en er wordt in recordtempo gegeten. Geen tijd te verliezen!

Na het ontbijt gaat iedereen meteen aan de slag voor een eerste poets-samu die kort en krachtig is (en soms oppervlakkig). We worden ingedeeld, iedereen krijgt een plek toebedeeld: de verschillende gangen, de wc’s, de hatto, de sodo, de keuken, de bezoekerskamers, de binnenplaats van de tempel – en omdat het herfst is, brengt elke dag zijn flinke dosis aan dode bladeren mee die de wind tot in de kleinste hoeken heeft geblazen – tot en met de twee wagens van de tempel die wanneer het weer het toelaat een carwash krijgen met water zonder zeep.

Rond 8.45 uur ontmoeten we elkaar opnieuw met de roshi (de verantwoordelijke van de tempel) voor de shossan, een formeel theemoment. Bij de thee wordt er elke dag een zoetigheid geserveerd van binnenlandse of buitenlandse (!) donatoren. We lezen er dan gezamenlijk een hoofdstuk uit de Shobogenzo Zuimonki een verzameling korte preken die Dogen aan zijn monniken heeft gegeven en die voor mij heel inspirerend waren.

Na dat theemoment begint eindelijk de dag! Om 9.30 uur verzamelen we en al naar gelang de dag is er ofwel samu (verder poetsen en proper maken – diepgaander deze keer, hout kappen voor de verschillende stoven, de verwarming van douche- en badwater; de moestuin onderhouden enz.) ofwel is er een onderricht gegeven door de roshi of een gastroshi.

Om 11u is er de middagceremonie waarbij we de Bonsho darani reciteren; een zeer ritmische darani (’t lijkt wel hiphop). Een klein half uur daarna is er een middagmaal dat genuttigd is vooraleer de klok 12 uur slaat (een oude regel uit de Vinaya).

Rustpauze tot 13.30 uur. Dan begint de tweede activiteitsperiode van de dag: samu of onderricht. Om 15u is er een informele theepauze vergezeld met een zoetigheid. Om 16 uur is er de avondceremonie bestaande uit het reciteren van een twintigtal darani’s (sommige zijn maar twee regels lang). Om 16.45u wordt het avondmaal geserveerd. Volgens de Vinaya, de regels voor de monniken, wordt er na 12 uur niets meer gebruikt. Doch werd in China in de Ch’an traditie en later in Japan (waar een ander klimaat heerst dan in India), die regel gewijzigd en werd er ’s avonds een lichte, medicinale maaltijd ingevoerd.

Tot 19.30u is er de mogelijkheid om een warme bad en douche te nemen; iets waar de Japanners tuk op zijn. Van 19.30 uur tot 21 uur is er de avondzazen. Om 21.20 uur dan val ik als een blok in slaap…

Om de vijf dagen is er een “rustdag”, hossan geheten. Die dag wordt er één uur later opgestaan en vallen de samu van 9.30 en 13 uur weg (al zijn er uitzonderingen geweest voor belangrijk werk). Voor het overige is die rustdag een gewone werkdag. Wij, de Westerlingen, waren die dag trouwens verantwoordelijk voor het koken van een middag- en een avondmaal voor de hele kloostergemeenschap… Die dag brachten we onze persoonlijke spullen in orde, deden we een was, en handelden we onze briefwisseling af.

Zich harmoniëren

Het leven in een zenklooster tijdens een ango is niet moeilijk maar ook niet gemakkelijk. Er is een strikte planning en een uurrooster waar geen speld tussen te krijgen is. Je leeft er ook in constant contact met iedereen. Dat hechte gemeenschapsleven reduceert je privacy-ruimte tot nul. Slapen doen we samen in de sodo, de ene naast de andere, elk op zijn tatami, de plek waar we zazen doen en waar we eten. De weinige persoonlijke spullen die we hebben meegenomen bevinden zich in de shuryo (studiezaal) een kamer die je deelt met andere beoefenaars waar je om en bij één vierkante meter tot je beschikking hebt met een klein bankje als schrijfhoek: alles gebeurt als zittend op de grond op de tatami’s. Er zijn geen stoelen in een Japans klooster!

Het volgen van het uurrooster en het gemeenschapsleven zijn de twee fundamentele kenmerken van een ango. Zich constant harmoniëren is dus de fundamentele beoefening. Zo functioneert trouwens de kosmische orde, de Boeddhadharma en alle verschijnselen uit het leven: een volledige interactie met iedereen en alles aangaan. Niet alleen tussen de deelnemers die er verblijven, maar ook tussen de deelnemers en de roshi die ons begeleidde. En uiteindelijk moesten wij als kloostergemeenschap ons eveneens harmoniëren met de buitenwereld.

We kregen regelmatig bezoekers over de vloer die we moesten helpen verwelkomen en waarmee we soms activiteiten deden: de talrijke donatoren die heel het kloosterproject financieel en materieel ondersteunen, de ambachtsmensen die er kwamen kleine karweien uitvoeren, collega monniken uit andere kloosters, bezoekers, vrienden en de families die het klooster een warm hart toedragen, de toevallige passanten die uit nieuwsgierigheid een blik komen binnenwerpen… Op verschillende momenten zijn ook families gekomen waarvoor een ceremonie moest worden uitgevoerd om een overleden familielid te herdenken (een traditie in Japan). Veel van die bezoeken waren onaangekondigd of we kregen die informatie pas op het allerlaatste nippertje waarbij we onze eigen organisatie elke keer moesten aanpassen. Seido Suzuki roshi heeft mij meermaals verbaasd in zijn vermogen om “van het plan af te wijken” en ter plekke (en zelfs tijdens de uitvoering van een ceremonie) te improviseren en van koers te veranderen! Een ware leerschool in elasticiteit.

We waren misschien wel letterlijk uit de wereld teruggetrokken maar we leefden toch helemaal mee met de buitenwereld! Eigenlijk ben je nooit alleen.

Voor Meester Dogen was de zomerretraite een fundamentele beoefening van de monnikengemeenschap. Hij vergelijkt die met de beoefening zelf van de patriarchen: “Doing a summer retreat is the body and mind of the Buddhas and Ancestors. It is the Eye of the Buddhas and Ancestors, the very life of the Buddhas and Ancestors.” (citaat uit Shobogenzo ango)

Leven als een boeddha, leven als een patriarch: ongekende paden bewandelen. Zich verdiepen in die lichaam-geest van zazen die zich uitstrekt tot alle activiteiten van de dag: niets ontwijkend, alles omvattend.

In de wereld staan

Op 22 oktober, in het begin van de angoperiode, noteerde ik in mijn dagboek: “Alleen zijn” – monnik is afgeleid van het Latijns ‘monicus’, het Grieks ‘monachos’. “Sublieme eenzaamheidhoorde ik eens de zenmeester Taiun Jean-Pierre Faure op een colloquium in de Gendronnière zeggen. Alleen, maar samen met de anderen. Alleen; en zich toch niet verliezen in dromen, fantasieën of in weemoed. Aanwezig zijn, helemaal. Al begrijp je niets van wat zich in je omgeving afspeelt.”

Alleen zijn is niet alleen zijn op het eigen eilandje van het ego. Het gaat om een kwaliteit van aanwezigheid, van in-de-wereld-zijn, synchroon met de anderen: daar gaat het om tijdens zo’n ango. Druk of niet druk, rust of geen rust, veel of weinig activiteiten, daar gaat het uiteindelijk niet om. Het is de manier waarop men in de wereld staat die er toedoet.

Vanuit zazen, vanuit de concentratie van zazen, vanuit het niets doen van zazen, vanuit mushotoku (de geest die ophoudt een persoonlijke verdienste te zoeken), vanuit de plek waar alle inspanningen achterwege worden gelaten, strekt de ango zich uit naar alle dagelijkse handelingen van het tempelleven. Niet vluchten. Niet verlangen naar iets anders.” was mijn motto. Ango is geen stage, los van het leven. Het is het leven zélf want op dat moment is er géén ander leven.

Ongeacht de drukte die er in een zentempel heerst is dat de betekenis van rust en in rust verblijven.

Dat was voor mij, al begreep ik soms niets van hetgeen zich rondom mij afspeelde, de belangrijkste ervaring van die ango.

Van de rust terug naar de drukte…

En dan stond ik op die koude winterdag op het einde van januari terug in België. Toen viel mij die drukte van hier op: het autoverkeer is haastiger, assertiever, aggresiever dan in Japan. Mensen bewegen zich sneller, bruusker dan in de tempel. Iedereen is vooral met zichzelf bezig en heeft geen oog voor zijn buurman. Er is weinig tot geen communicatie tussen de mensen die elkaar niet kennen. In Parijs had zich net het “Charlie Hebdo” drama afgespeeld. Het gonsde hier van verwarring en radeloosheid tastbaar aanwezig.

Eenmaal terug op het werk valt mij de gejaagdheid op, de ontevredenheid des te meer op, het geklaag, het gezaag, de frustraties die naar boven komen, de emotionele ontladingen, de botsingen, het heen en weer gesticuleren, de geruchten. Alles lijkt onsamenhangend en chaotisch. De rust is voorgoed verdwenen.

Ik ben terug in het leven beland. Een nieuwe beoefening dient zich aan.