’t is met héél ons lichaam dat we beoefenen

Over de centrale plaats van het lichaam in onze beoefening.

De tekst is gebaseerd op twee mondelinge onderrichtingen (kusen genaamd) gegeven in de dojo van Halle op 12 en 19 mei 2018. De tekst is hierbij lichtjes aangepast.

Beluister ook de opname van het onderricht tijdens de zazen van 15 mei integraal op Soundcloud die dezelfde thematiek anders verwoordt: https://soundcloud.com/konradmaquestieau/t-is-met-heel-ons-lichaam-dat-we-beoefenen
Lees verder ’t is met héél ons lichaam dat we beoefenen

Boeddha als landbouwer

Monniken en nonnen dragen de kesa om zazen te beoefenen. De kesa is het meditatiekleed van de Boeddha.

Het tweede vers van de Kesa-sutra luidt als volgt:

Muso fuku den e

Vertaald: Kesa van het veld van onbegrensd geluk.

Waarom wordt dat kleed met een veld vergeleken?


 

In de soetra Saṃyutta-Nikāya 7.11 lezen we het volgend verhaal:

Op een dag verbleef Boeddha in Magadha. In die tijd – het was zaaitijd – had de brahmaan Boer Bhāradvāja vijfhonderd ploegen aangespannen.

Toen dan kleedde de Verhevene zich vroeg in de morgen aan, nam bedelnap en mantel en ging naar de plaats waar de brahmaan Boer Bhāradvāja aan het werk was.

Op dat moment was deze maaltijden aan het verstrekken.

Toen dan ging de Verhevene naar de plaats waar de voedselverdeling plaatsvond en stelde zich terzijde op.

Boer Bhāradvāja nu zag de Verhevene daar staan in afwachting van een aalmoes. Daarop sprak hij het volgende tot hem: ‘Ik, asceet, ploeg en zaai en daarna eet ik. Ook jij, asceet, zou moeten ploegen en zaaien en daarna pas eten!’

‘Ook ik, brahmaan, ploeg en zaai en na geploegd en gezaaid te hebben, eet ik.’

‘Maar wij zien noch juk noch ploeg noch ploegschaar noch prikstok noch ossen bij de heer Gotama (…).

Je beweert een landbouwer te zijn,
maar wij zien je veldwerk niet.
Vertel ons eens wat over je veldwerk.
Hoe kunnen wij het leren kennen?’

De Verhevene:

‘ Vertrouwen is het zaad, ascese de regen,
onderscheidend inzicht is mijn juk en ploeg,
ingetogenheid is de dissel, de geest het tuig,
aandacht is mijn ploegschaar en prikstok.

Waakzaam in mijn woorden en daden,
beheerst bij het vullen van mijn maag
gebruik ik de waarheid om te wieden
en zachtmoedigheid om uit te spannen.

Energie is mijn ingespannen os,
die mij na gedane arbeid rust brengt.
Zij gaat zonder ooit nog terug te keren
naar de plaats waar geen verdriet meer is.

Aldus wordt dit veldwerk gedaan.
Doodloosheid is de vrucht ervan.
Na dit veldwerk verricht te hebben
wordt men bevrijd van alle lijden. ‘

Eet, heer Gotama, u bent inderdaad een boer, daar u veldwerk verricht dat als vrucht de doodloosheid heeft!

Boer Bhāradvāja sloot zich dan aan bij de gemeenschap (sangha) van de Boeddha en werd één van zijn volgelingen.


 

Bron: De Verzameling van thematisch geordende leerredes – deel 1, p.284-285. Vertaling van Jan de Breet & Rob Janssen (Asoka)

Doen wat je moet doen

Een monnik vroeg aan Meester Seigen Gyoshi: Welk doel had Bodhidharma om van India naar China te gaan?

Seigen Gyoshi antwoordde: Hij handelde zoals hij was.

De monnik vroeg: Kunt U mij nog eens antwoorden zoals U juist deed in woorden die ik kan begrijpen?

Seigen Gyoshi zei: Kom hier!

De monnik naderde zijn meester.

Seigen Gyoshi zei: Herinner je dit altijd!

10e koan uit Shinji Shobogenzo – Dogen

De vraag van de monnik is een klassieke koan. Het gaat om de vraag naar het uiteindelijke doel van de beoefening. Waarom beoefenen we eigenlijk? Met welk doel is de Indiaanse monnik Bodhidharma uit de 6e eeuw van India naar China gegaan?

Bodhidharma had géén plan, geen missie! Door specifieke omstandigheden die enkel op hem van toepassing waren, op dat moment en op die plaats, ondernam hij de (in die tijd gevaarlijke) reis naar China en vestigde hij zich op de Berg van het Berenoor in het Sung gebergte waar de Shaolin tempel gevestigd was om er zazen te beoefenen. Na verloop van tijd kwamen leerlingen naar hem toe om samen met hem te beoefenen. Uiteindelijk wordt Bodhidharma herdacht als de eerste patriarch van het Chinees Boeddhisme, de Chan.

Dat is het antwoord van Seigen Gyoshi: Bodhidharma deed niets anders dan hetgeen hij moest doen. Toch begrijpt de monnik het antwoord niet. Wellicht had hij zo’n eenvoudig antwoord op zo’n diepzinnige, klassieke vraag niet verwacht!

We zijn als die monnik. We denken meestal dat er nobele bedoelingen, motieven moeten zijn voor de beoefening. Er moet wel iets “hogers” zijn, iets “ideaals”, iets “moois” en “ongrijpbaars”, misschien wel iets “heiligs”…

Seigen Gyoshi laat zijn leerlingen ontwaken uit zijn droom door hem eenvoudig te vragen dichterbij te komen. Terwijl de monnik nadert onderricht hij hem: vergeet dat nooit!

Het stappen. Enkel dat. De leraar naderen.

Vergeet de abstracties, de concepten, de filosofie en doe wat je moet doen op het moment dat je het moet doen. Op elk moment van de dag.

Dat en niets anders is het “doel” van onze beoefening. Daarom vertrok Bodhidharma naar het Oosten (China).

De intimiteit van zazen

Veel beoefenaars weten geen weg met hun ego. Preciezer: de wispelturigheid van het ego baart hen zorgen. Dat beschouwen ze veelal als een soort obstakel in hun beoefening. Het ego is als een kind: het verlangt naar een hoop dingen, keurt een hele reeks zaken zomaar af en is koppig in de bevestiging van zijn eigen affirmatie ik-ben-in-de-wereld!.

’t is een kwestie van ruimte: hoeveel ruimte neemt ons ego in? Neemt het de hele plaats van ons leven in beslag?

Zazen zorgt voor ademruimte. Het ego is er, maar neemt niet de hele plaats in beslag. Het ego is niet de volledigheid van ons (spiritueel) leven. Zazen brengt ons naar de plaats voorbij de krampachtigheid van het ik wil. Zazen omarmt het ego. Niet om het te knuffelen maar om het helemaal te integreren, te verteren.

Voor meester Dogen is het een evenwichtsoefening tussen “denken” en “niet-denken”. Hij noemde dat hishiryo – noch het een, noch het andere. Voorbij de twee. Vertaald als nonthinking in het Engels.

Op het einde van het lange hoofdstuk Shobogenzo Zazenshin (Het punt van zazen, de essentie, waar alles rond draait), nadat hij talrijke beelden en woorden gebruikt heeft (het polijsten van de dakpan, het slaan van de os en de kar, het “doden” van de Boeddha enz.), schrijft hij eenvoudigweg: “de essentie wordt verwerkelijkt in hishiryo en is op een natuurlijk manier intiem met onszelf.”

Natuurlijk – in het Japans, onozukara: vanuit zichzelf. Spontaan. In harmonie met de ware aard van de dingen, in harmonie met de Weg.

Intiem – in het Japans, shitashishi: het refereert naar de natuurlijke intimiteit tussen een ouder en zijn kind. Een familiariteit die voornamelijk gekenmerkt wordt door een natuurlijke, fundamentele eenheid.

Dezelfde eenheid bestaat er in de relatie tussen de hamer die de klok slaat en het geluid, de resonantie die de klok ogenblikkelijk produceert. Niet-van-elkaar-gescheiden. Een tik, een resonantie. Een slag, een geluid.

Zo is het dus ook voor de intimiteit van zazen. De beoefening tikt de klok van het ego aan en de boeddhanatuur resoneert. De twee zijn niet van elkaar gescheiden. We zijn ons ego maar we zijn niet beperkt tot ons ego. Boeddha is niet gescheiden van ons ego.

Zazen is de ruimte binnentreden van het niet-gescheiden-zijn. Veel beoefenaars ervaren dit als een soort thuiskomen. Na een lange weg afgelegd te hebben op de dwaalwegen waar ons ego ons gebracht heeft, komt men terug thuis – intiem met de ware aard van onze geest die we eigenlijk nooit verlaten hebben.

Verwondering

Toen Meester Dogen terugkwam van zijn reis naar China in het jaar…. Vroegen ze hem: “wat heb je ginds geleerd? Wat is feitelijk de essentie van het onderricht van Boeddha?”

Dogen antwoordde: “De neus is vertikaal. De ogen zijn horizontaal.”

Natuurlijk doelde hij niet op de fysische evidentie van de vorm van ons gelaat. Het ging er voor hem wél om terug te keren naar de evidentie die we niet meer zien.

Soms leven we als echte voorgeprogrammeerde biologische machines: ons brein rattelt een soort innerlijk programma af die door onze gewoontes, onze opvoeding, ons karma grotendeels blindelings in elkaar werd geknutseld. Voor elk gelijke impuls van buitenaf reageren we steevast op gelijke wijze terug. Actie. Reactie. En zo de hele dag door. In alle onze dagelijkse activiteiten en handelingen!

Neem bv. de verwondering. Een kind is verwonderd voor de omgeving die hij verkent. Een volwassen persoon al een stuk minder! Je draait de kraan open en zuiver water komt tevoorschijn. Wie is hierover nog verwonderd? De GSM of smartphone ligt plat; hopla, de oplader wordt meteen in het stopcontact geduwd. Wie is verwonderd over de energie die in onze huiskamer ogenschijnlijk altijd op evidente wijze voorradig is? Wie is nog verwonderd voor het voedsel dat elke dag op ons bord ligt? Wie staat er stil hoe die voedsel tot bij ons gekomen is? Wie verwondert zich wanneer hij ’s morgens wakker wordt en opstaat? Dat we elke dag opnieuw in staat zijn op te staan.

Dit zijn een paar eenvoudige voorbeelden. Maar de kwaliteit van het leven zit verborgen, zoals altijd, in die details. Wie zich niet meer kan verwonderen over de dingen zoals ze zijn, zal moeilijk hetgeen het leven aanbiedt, zien, detecteren, zich ermee harmoniëren en ernaar handelen. Want daar ligt de eerste stap naar geluk.

“De neus is verticaal. De ogen zijn horizontaal.” In zazen is dat iets tastbaars: de verticaliteit van de rug, de nek. De horizontaliteit van de duimen die elkaar heel lichtjes raken. De verticaliteit van het hele lichaam in de kin-hin houding én de horizontaliteit van de armen in diezelfde houding.

Het is een kwestie hoe je in de wereld staat. Fundamenteel zijn mensen verticale wezens: ze steunen op de aarde en richten zich op van de aarde naar de hemel. Zo kun je alle details van je leven overzien. Zo kun je ook alle relaties met de anderen begrijpen: de horizontaliteit van alle menselijke interacties.

Beoefenen is bij die evidentie van horizontaliteit en verticaliteit stilstaan.